Eppo Bruins: Bewaar de naam Evangelische Hogeschool

De Tweede Kamer debatteert vandaag over een wet die misbruik van namen en graden in het onderwijs moet tegengaan. Lees hier de bijdrage van Eppo Bruins, waarin hij o.a. pleit om óók een uitzondering te maken voor de Evangelische Hogeschool in Amersfoort.

Eppo Bruins: “Vandaag bespreken we een wet die misbruik van namen en graden moet tegengaan. Het is belangrijk voor studenten en werkgevers dat een ‘bachelor’ ook echt een ‘bachelor’ is. Als er sprake is van een ‘nepuniversiteit’ of een ‘nephogeschool’, dan lijkt mij dat onwenselijk. Als er vage websites zijn die een mastertitel in het vooruitzicht stellen of zelfs te koop aanbieden, dan moeten we dat tegengaan en aanpakken.

De vraag is: hebben we dit wetsvoorstel nodig om misbruik en misleiding tegen te gaan? Hoe vaak vindt nu eigenlijk misleiding plaats in Nederland? Bieden Nederlandse instellingen wel eens nepdiploma’s aan, bijvoorbeeld? Op institutioneel niveau kennen we al de instrumenten van bekostiging en accreditatie. De Raad van State heeft het bij dit wetsvoorstel over een ‘beperkte toegevoegde waarde’. Op individueel niveau is het al strafbaar om beschermde titels en graden te verlenen. Waar gaat het precies mis? Is het niet voldoende om de graden en titels goed te beschermen, zoals we eigenlijk al doen via de WHW en het Wetboek van Strafrecht.

De vraag is ook: ligt de aard van de misleiding in de naamgeving, of eerder in misleiding bij de communicatie en voorlichting? Ik noem een voorbeeld: stel dat een niet-geaccrediteerde instelling zich vóórdoet als een geaccrediteerde instelling met erkende diploma’s. Dan kan op dit moment al worden ingegrepen op grond van de misleidende communicatie.

Ik verwijs bijvoorbeeld naar de rechtszaak over de Althuraa Universiteit van enkele jaren geleden. De instelling maakte misbruik van de wettelijk beschermde titulatuur voor een niet-geaccrediteerde opleiding. Met de huidige wettelijke mogelijkheden is deze instelling veroordeeld voor valsheid in geschrifte en oplichting, met een boete van 50.000 euro. Een voorbeeld dat misbruik wel degelijk al aangepakt kan worden. Graag een reactie.

De sanctie die in deze wet wordt opgenomen is fors: een bestuurlijke boete door de Inspectie in de hoogste boetecategorie (810.000 euro). Waarom is gekozen voor een bestuurlijke boete? Als er echt sprake is van misbruik door niet-onderwijsaanbieders, kan nu al via het strafrecht worden ingegrepen. De minister wil dat niet omdat ze het strafrecht een te zwaar middel vindt maar de bestuurlijke boetes die zij voorstelt zijn zwaarder dan de strafrechtelijke boetes die op dit moment al kunnen worden uitgedeeld aan oplichters. Hier spreekt de Minister zichzelf tegen.

Ik krijg de indruk dat het misbruik vooral op internationaal vlak een probleem is. Bijvoorbeeld websites die zich als university presenteren. Maar is dit wetsvoorstel de oplossing voor dit probleem? Kan de Nederlandse Onderwijsinspectie wel een bestuurlijke boete opleggen aan een buitenlandse commerciële website? Ik denk het niet. Graag een reactie.

En waarom is het goed informeren van studenten onvoldoende om dit probleem aan te pakken? Ik denk bijvoorbeeld aan een lijst met bekostigde en geaccrediteerde opleidingen. Ook de Raad van State wijst op het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Dat is juist de lijst met erkende instellingen. Graag een reactie.

In het licht van Artikel 23 Grondwet is het ook interessant op welke manier ruimte is en blijft voor nieuwe toetreders in het bestel. Ruimte voor nieuwe scholen, zeg maar…

Ik noem een zeer bekend voorbeeld: de Vrije Universiteit Amsterdam, opgericht als particuliere universiteit door Abraham Kuyper in 1880, kreeg pas vanaf 1970 eenzelfde bekostiging als openbare universiteiten. Hoeveel ruimte is er nog voor nieuwe toetreders, als de naam hogeschool of universiteit niet mag worden gevoerd zolang geen accreditatie heeft plaatsgevonden? En andersom: biedt iedere universiteit of hogeschool die deze naam wel mag voeren, dan alleen maar opleidingen aan die tot graden of titels leiden? Ook erkende universiteiten hebben activiteiten die niet leiden tot een erkend diploma. Mogen zij die activiteiten niet meer uitvoeren onder deze nieuwe wet?

De Minister probeert iets aan te pakken wat al aangepakt kan worden met een wet die aanpakt wat je niet wilt aanpakken. Een onontwarbare knoop.

Uitzondering Evangelische Hogeschool

De minister wil met dit wetsvoorstel misbruik tegengaan, maar zij raakt nu juist instellingen die geen misbruik maken van hun naam ‘hogeschool’. Ik noem de Evangelische Hogeschool in Amersfoort. De EH is een maatschappelijk gevestigd instituut en bestaat volgend jaar 40 jaar. De naam is helemaal ingeburgerd. De goeden gaan hier onder de kwaden lijden: de minister zegt sjoemelaars te willen aanpakken, maar dwingt nu de EH om de naam te veranderen.

De EH is altijd duidelijk geweest over het ‘basisjaar’: studenten bezinnen zich over de rest van hun studieloopbaan, maar de student krijgt geen door de overheid erkend diploma. Van de student wordt verwacht een deel van de cursuskosten te betalen, maar een groot deel wordt door giften betaald. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die halverwege het tussenjaar op de EH erachter is gekomen dat er geen sprake was van een opleiding die een titel in het vooruitzicht stelde.

In de wet wordt een uitzondering gemaakt voor de volksuniversiteiten en volkshogescholen, bijvoorbeeld vanwege de ‘relatief lage prijs’ en het ontbreken van vooropleidingseisen. Waarom zijn dat doorslaggevende redenen? Ik heb een amendement ingediend om ook voor de EH een uitzondering te maken. Een wet die verbiedt, dient bestaande rechten en aanspraken te eerbiedigen voor diegenen die te goeder trouw zijn.

Het bevorderen van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef

De minister krijgt extra bevoegdheden om rechten aan een opleiding te ontnemen of bekostigingssancties te treffen bij ‘discriminatoire gedragingen en uitingen’. We kennen de verwerpelijke uitspraken van de rector van de Islamitische Universiteit, bijvoorbeeld over vrouwen, Koerden, Joden en homo’s.

De minister introduceert een bevoegdheid voor zichzelf om bij uitingen van discriminatie fors in te grijpen. De Raad van State wijst er op dat de Minister alleen kan ingrijpen bij het tekortschieten van de kwaliteit van onderwijs. De minister gaat zich dus begeven op het terrein van de samenleving en van instellingen. De Raad van State meldt dat het doen van aangifte de geëigende manier is om discriminatie te vervolgen. Op die manier wordt de rechterlijke route bewandeld. Waarom moet de minister hierover oordelen. Dat moet toch via het Openbaar Ministerie (en vervolgens de rechter) plaatsvinden? Het OM kan immers overgaan tot vervolging van oproepen tot ongerechtvaardigde discriminatie. Kan de minister hier op ingaan?

Bovendien is er een spanningsveld: wanneer is volgens de minister sprake van uitingen van discriminatie? En waarom wordt slechts één grondrecht uitgelicht? Vanuit de verantwoordelijkheid voor ‘maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef’ moeten Nederlandse instellingen over de volle breedte van de democratische rechtsstaat handelen. Dan vindt ook een goede weging van grondrechten plaats.

Christenunie
Christenunie
15-09-2016
Onderwijs
https://www.christenunie.nl

Christelijk Nieuws
ChristelijkNieuws.nl maakt gebruik van cookies